Tips


1.    Bekijk uw tuin eens met vogelogen
Waar zou u gaan wonen, schuilen, een bad nemen, drinken, eten, een nestje maken of gaan slapen?

2.    Zorg voor variatie in uw tuin
Zorg voor hoge bomen, dichte struiken, bloeiende planten die insecten lokken, klimmers, schaduwplekken, zonnige plekken. Maak zoveel mogelijk variatie en maak het vooral niet te netjes allemaal!



3.    Zorg voor voldoende voedsel
Alle vogels hebben een voorkeur voor bepaald eten. Zo zijn lijsterachtigen gek op bessen, kersen en ander fruit.
Zaadeters eten graag de zaadjes van planten als klis, distels, kaardebollen en zonnebloemen of de zaden van bomen: elsen- en berkenzaadjes, beukennootjes en eikels.
Insecteneters en rupseneters kunt u lokken met bloeiende planten die insecten lokken en planten en struiken waarop rupsen leven.
Roofvogels en uilen zijn gek op muizen. Een tuin die aantrekkelijk is voor muizen wordt hiermee dus ook aantrekkelijk voor uilen en roofvogels.

4.    Voer de vogels in de winter bij
Op een gegeven moment kunnen de vogels zelf geen eten meer vinden in uw tuin; de bessen zijn op, de zaadjes van de planten zijn op en de spinnetjes en andere insecten hebben zich teruggetrokken. Dan wordt het tijd om de vogels bij te gaan voeren. Merelachtigen kunt u appels, peren of rozijnen geven en mezen en mussen vetbollen, pinda's en zaadjes.
Voor het roodborstje kunt u wat geraspte kaas neerleggen en voor de grote bonte specht kunt u aan een stuk spekzwoerd ophangen.
Ook kunt u wat katten- of hondenvoer uit blik neerleggen, broodstukjes, of ongekookte havermout. Gekookte aardappelen of rijst (zonder zout gekookt) gaan er ook graag in.

Als u vogels voert in de winter is het van belang dat u dat altijd op hetzelfde moment van de dag doet. Vogels blijven op u wachten en kunnen in die tussentijd niets eten.

Haal het wintervoer, met name pinda's op tijd weer weg. In het voorjaar, vooral als de vogels jongen hebben, moet er niets meer in uw tuin hangen. Jongen kunnen dit voedsel niet goed verteren en kunnen er zelfs dood aan gaan. Ze moeten insecten en wormen krijgen en geen pinda's.

5.    Zet een vogeldrinkbak in uw tuin
Water is essentieel voor vogels. In een vogeldrinkbak kunnen de vogels water drinken en een waterbad nemen.
Zorg er voor dat de vogeldrinkbak een ruwe bodem heeft zodat de vogels niet uitglijden en dat de drinkbak in de buurt van struiken staat, zodat ze kunnen vluchten bij onraad. De drinkbak mag ook niet te diep zijn. U kunt er eventueel ook wat grote stenen in leggen.
Als het vriest en er geen sneeuw ligt, kunt u wat geschaafd ijs in de drinkbak leggen. Zorg er in droge tijden voor dat de drinkbak gevuld blijft. Vogels moeten er op kunnen rekenen.

6.    Zorg voor voldoende nestgelegenheid
In een tuin met oude (holle) bomen, stapels snoeihout, rommelige plekjes en dichte struiken kunnen veel vogels zelf wel een plekje vinden om een nestje te maken.

Daarnaast kunt u sommige vogels helpen door een nestkastje op te hangen.

Houdt u daarbij rekening met een aantal zaken:
- Hang de kastjes op een redelijk beschaduwde plek.
- Ideaal is een vlieggat op het zuidoosten.
- Hang het kastje op zo'n 2 meter hoogte.
- Zorg voor een onbelemmerde vliegroute.
- Zorg ervoor dat de kat er niet bij kan.
- Hang het kastje stevig op, zodat het niet met eitjes en al naar beneden dondert.
- Hang het kastje in de buurt van struiken, zodat de vogels er eventueel in stapjes naartoe kunnen vliegen.
- Maak de nestkastjes in de herfst schoon, zodat de vogels er in de winter, zonder vlooien en luizen, kunnen schuilen.
- Strooi voor mezen wat eierschalen in de buurt van de mezenkastjes. Ze hebben kalk nodig voor hun eieren.
- Denk ook eens aan spreeuwenpotten, gierzwaluwdakpannen en zwaluwnesten.

7.    Zorg voor schuilgelegenheid
Plant dichte of stekelige struiken waar vogels naar toe kunnen vluchten als er gevaar dreigt van katten of roofvogels.
Ideaal zijn struiken die in de herfst ook nog besjes krijgen of die tijdens hun bloei insecten aantrekken.

 


8.    Bescherm de vogels tegen katten
Als u zelf katten heeft, bind ze dan een belletje om en houd ze binnen als de jonge vogeltjes uitvliegen of als het buiten erg koud is en de vogels verzwakt zijn.
Over vreemde katten kunt u een emmer koud water gooien. Dan blijven ze vaak wel weg.
Zorg voor stekelige struiken die voor katten ondoordringbaar zijn. Wat kippengaas, zigzaggend tussen de struiken door, belemmert het gesluip van katten.



9.    Gebruik geen gif in uw tuin
Als u de luizen, rupsen en slakken doodt, haalt u ook het eten van de vogels weg.
Daarnaast brengt u ook de gezondheid van vogels in gevaar. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zanglijsters die slakken eten. Als deze slakken slakkenkorrels hebben gegeten, krijgt de lijster dit gif ook binnen.

Probeer de volgende keer als u veel luizen in de tuin heeft eens te denken: "O fijn, in ieder geval is er genoeg eten voor de vogels". Als u zo naar 'plagen' leert kijken, zult u merken dat u zich er eerder zorgen over gaat maken dat er misschien wel te weinig luizen in uw tuin zitten dan te veel.

10.    Leg een stofbad aan
Net als kippen vinden vogels het fijn om door het zand te rollen. Dat is goed tegen parasieten.
Maak eens zo'n plekje in de tuin. Een stofbad van een halve vierkante meter is voldoende.

Nestkastje maken
Ook vogels hebben een huisje nodig om hun kinderen in groot te brengen. Zo’n huis noemen we een nest. Er zijn heel veel vogels en dus ook heel veel soorten nesten. Zo wonen spechten in een holte in een boom. De waterkippetjes bouwen hun nesten in de vijver of de sloot. Dat heb je vast wel eens gezien. Ook eenden wonen op het water. Of ze maken een eenvoudig nest in een kuiltje in de grond. Soms zie je nesten in de heg van een tuin, of hoog in een boom. Vogels gebruiken van alles en nog wat om een lekker nest te maken. Modder, bladeren, dennennaalden, mos, veren, droog gras en zelfs stukjes papier. Vogels die graag in holen broeden, zoals de koolmees, de mus en de spreeuw, kun je helpen door een speciaal nestkastje voor ze te bouwen. Dit moet je wel samen doen met papa of mama. Of misschien wel met je opa of een grotere broer of zus. Zie maar. Er is altijd wel iemand om je te helpen.
Wat heb je nodig?
Een plank: 140 cm lang, 15 cm breed en 18 mm dik.
Spijkers of schroeven en een scharnier.
Verf (liefst milieuvriendelijk).
 


Bouwtekening
 
Verdeel de plank in stukken, zoals op de bouwtekening. Dit is best een precies werkje. Als je dit hebt gedaan zaag je de stukken precies op de getekende zaaglijnen af.
 


Maak nu de plankjes A en B vast met spijkers of schroeven op plankje F. Het is heel belangrijk dat de plankjes A en B op dezelfde hoogte zitten. Ook dit is alweer zo een precies klusje.
 
Nu gaan we plankje E (de bodem van het kastje) met spijkers of schroeven vastmaken aan de plankjes A, B en F.
 
Het volgende plankje dat vastgemaakt moet worden is plankje C (de voorkant van ons vogelhuis). Maar eerst maken we in dit plankje een vliegopening op ongeveer 17 cm van de onderkant af. Voor een koolmeesje is de doorsnede van dit gat  ongeveer 3,2 cm.  Voor een pimpelmeesje is de doorsnede ongeveer 2,8 cm. We spijkeren of schroeven plankje C vast aan A en B.
 
Om plankje D aan plankje F vast te maken heb je een scharnier nodig.
 
 
Het nestkastje ophangen
 
Hang het kastje ongeveer 180 cm boven de grond in een boom of tegen een muur. Zorg ervoor dat het stevig vast zit.
Richt de opening niet naar het zuiden en niet naar de kant waar de regen altijd vandaan komt.
Let er op dat het kastje niet de hele dag in de volle zon hangt, anders krijgen de vogels het te warm in het nest.